19 maart 2026

Verhoging verzekeringstaks

Complexiteit is zelden een doel op zich, maar soms wel het resultaat. De Wever gaf onlangs in de pers toe dat zijn hervormingen op dat vlak geen schoonheidsprijs verdienen. De aangekondigde verhoging van de verzekeringstaks past eigenlijk in datzelfde spanningsveld. Hieronder leest u stap voor stap wat er verandert, en waar de grootste praktische hoofdbrekens zich situeren. We proberen te eindigen met een positieve noot.

Begrotingsakkoord met een “klein beetje” extra premietaks

Op maandag 24 november 2025 bereikte de federale Belgische regering een begrotingsakkoord. Onder het motto “kleine beetjes maken een groot” werd beslist om de premietaks op niet-levensverzekeringen te verhogen van 9,25% naar 9,6%. Globaal zal die maatregel 50 miljoen euro per jaar moeten opleveren.

De juridische basis ligt in de Programmawet 2026 die, op het moment van schrijven, nog steeds niet gestemd is. In artikel 5 van het wetsontwerp staat dat in artikel 1751, § 1, van het Wetboek diverse rechten en taksen het cijfer 9,25 wordt vervangen door 9,6. Dat Wetboek bevat onder meer de jaarlijkse taksen op verzekeringsverrichtingen. Precies in dit artikel wordt dus de “basis”-premietaks voor een reeks nietlevensverzekeringen verhoogd.

Het is geen tariefherziening door de verzekeraar en ook geen indexatie (zoals via ABEX), maar een fiscale ingreep om de staatskas te spijzen.

Over welke verzekeringen gaat dit?

De maatregel maakt verschillende verzekeringen die vandaag onder het tarief van 9,25% vallen, een beetje duurder. Dat gaat niet alleen over de evidente “klassiekers” waar veel gezinnen en ondernemingen mee te maken hebben, maar ook over polissen waar de premietaks soms wat verborgen zit tussen andere heffingen.

Enkele voorbeelden:

  • familiale verzekering
  • BA Uitbating
  • autoverzekering (onder meer de verplichte BA Auto)
  • brandverzekering
  • omniumverzekering
  • BA Lichte vracht

In veel van die producten zit die 9,25% als vaste, en soms enige herkenbare taks.

Het autoverzekeringsvoorbeeld: 27,10% “totaal”, maar opgebouwd uit lagen

Neem de verplichte autoverzekering (BA Auto). Daar bedraagt de totale fiscale en parafiscale last 27,10%. Dat cijfer klinkt fors, maar het is een optelsom van verschillende onderdelen:

  • 9,25% jaarlijkse premietaks (die door de Programmawet naar 9,6% zal gaan)
  • 17,85% parafiscale taksen, waaronder:
    • 10% voor het RIZIV
    • 7,5% bijdrage Fonds mindervaliden
    • 0,35% voor het Rode Kruis

Die 9,25% is dus niet het hele verhaal, maar wel een basiselement dat op meerdere verzekeringen terugkomt. Zodra dat element stijgt, stijgen al die premies mee, hoe beperkt ook.

Wat betekent 0,35 procentpunt in euro’s?

De verhoging gaat van 9,25% naar 9,6%. Dat is geen stijging met 0,35%, maar met 0,35 procentpunt. In euro’s lijkt dat op het eerste gezicht verwaarloosbaar, maar het wordt wel overal doorgerekend.

Een eenvoudige illustratie:

  • premie: 500 euro
  • extra premietaks: 0,35% van 500 euro = 1,75 euro per jaar

Bij hogere premies loopt dat uiteraard op. En ja, dit past in de regeringslogica van de “sterkste schouders”: wie meer verzekert (of wie duurdere risico’s afdekt), betaalt ook meer. Al is het natuurlijk zo dat sommige risico’s vooral hogere premies hebben omdat ze nu eenmaal risicovoller zijn.

Feit blijft dat deze maatregel voor de hele markt een extra kostlaag toevoegt, boven op de premiedynamiek die vandaag al speelt.

Reactie van de sector: teleurstelling en drempelwerking

Het is dan ook weinig verrassend dat sectorfederatie Assuralia teleurgesteld reageert. De kern van hun kritiek: een hogere premietaks verhoogt de drempel om maatschappelijke risico’s te verzekeren. In gewone taal: wie een polis uitstelt of afbouwt omdat het “weer wat duurder wordt”, maakt zichzelf kwetsbaarder. En die kwetsbaarheid komt uiteindelijk vaak elders in de samenleving terecht.

Een belasting werkt dus niet alleen budgettair, maar heeft ook altijd een gedragsmatig effect — vergelijkbaar met de taks op tabak. De vraag is natuurlijk hoe sterk die drempelwerking speelt bij relatief kleine bedragen, maar het signaal blijft duidelijk.

En de winstdeelnametaks dan?

Een klassieke vraag in de marge: wat met de winstdeelnametaks van 9,25%? Die blijft buiten schot, omdat ze onder een ander artikel in het Wetboek valt. Met andere woorden: de aangekondigde vervanging van 9,25 door 9,6 speelt daar niet.

Niet de eerste keer: terugblik naar 1980

Dit type ingreep is historisch niet nieuw. De regering heeft eerder aan de premietaks gesleuteld. Voor deze niet-levensverzekeringen is het wel al een tijd geleden. In 1980 werd bijvoorbeeld een grotere verhoging doorgevoerd, van 8,25% naar 9,25%. De context is vandaag uiteraard anders, maar het mechanisme – kleine aanpassingen met brede impact – blijft herkenbaar.

1 april, 1 mei, …? Het timingprobleem

Daar wringt het dus. Want tegelijk lezen we in de pers dat de oppositie vrijwel zeker het advies van de Raad van State zal inroepen voor dit wetsontwerp, waardoor een aantal begrotingsmaatregelen mogelijk níét op 1 april in werking treden. De discussie draait daarbij niet in de eerste plaats om de premietaks, maar om andere gevoelige onderdelen van dezelfde Programmawet, zoals de verhoging van 15% naar 18% in de regimes van liquidatiereserves en VVPRbis.

Voor lezers met een vennootschap is dat meteen herkenbaar: de voorbije weken werd al massaal cash uit vennootschappen gehaald in anticipatie op die mogelijke verstrenging. En dan is er nog de meerwaardebelasting die sinds 1 januari 2026 “in voege is”, terwijl ook daar de wet nog niet gestemd is.

Alles samen maakt dit de wetgevingskalender bijzonder moeilijk leesbaar — voor burgers, voor bedrijven én voor de uitvoerende sector.

Operationele kopzorgen bij verzekeraars (en makelaars die zelf nog innen)

Voor verzekeraars is dit geen theoretische discussie. Vervaldagberichten voor april vertrekken nu eenmaal op tijd en dus rond deze periode. Alleen rijst de praktische vraag: aan welke premietaks?

Er zijn grofweg twee situaties:

  1. verzekeraars die hun systemen al aangepast hebben en voor april aan 9,6% verstu(u)r(d)en.
  2. verzekeraars die nog aan 9,25% rekenen en die al communiceerden dat een eventueel verschil door hen wordt gedragen.

Maar dan ontstaat een tweede ronde vragen. Als de verhoging toch uitgesteld wordt, was 9,25% dan “correct” en 9,6% “te vroeg”? En omgekeerd: als de verhoging wél retroactief of onmiddellijk van toepassing wordt, wat dan met wie te weinig aanrekende? En wie te veel aanrekende, hoe wordt dat rechtgezet? Vanaf wanneer wordt dan precies aangepast: 1 mei, later, …?

Dit is het soort complexiteit dat zelden zichtbaar is voor de klant, maar wel volop leeft in backoffice, IT en boekhouding. Qua uitvoerbaarheid wint het beleid opnieuw geen schoonheidsprijs.

Wat met gefractioneerde premies?

De verhoogde taks zal ook spelen bij gefractioneerde premies. Anders gezegd: de hogere taks werkt onmiddellijk door, ook als de premie niet jaarlijks maar maandelijks (of per kwartaal) wordt betaald.

Voorbeeld:

  • jaarvervaldag: 1 februari
  • betaling: maandelijks
  • gevolgen: de maandpremie stijgt niet pas op 1 februari 2027, maar (volgens het wetsontwerp – artikel 9) al vanaf 1 april 2026 – of vanaf een latere datum als de inwerkingtreding verschuift.

Dat is logisch vanuit het standpunt “premies die vervallen vanaf …”, maar het creëert extra communicatie- en implementatiedruk. Zeker wanneer vervaldagen, betaalplannen en boekingsperiodes uiteenlopen.

Antimisbruikbepaling: de wetgever kijkt vooruit

De memorie van toelichting anticipeert — enigszins ironisch — op mogelijke “trucjes” om de hogere premietaks tijdelijk te ontwijken. Het geviseerde scenario is klassiek: een polis opzeggen vóór de vervaldag en, nog vóór de inwerkingtreding van het hogere tarief, een “zeer gelijkaardige” nieuwe overeenkomst sluiten met een nietgefractioneerde premie.

Volgens de toelichting zal dat echter niet volstaan om aan de tariefverhoging te ontsnappen. Wanneer dezelfde verzekeringnemer hetzelfde risico bij dezelfde verzekeraar vóór de vervaldag opnieuw verzekert, kan de administratie zich beroepen op artikel 202 van het Wetboek diverse rechten en taksen, dat fiscale misbruiken viseert. In dat geval verschuift de bewijslast in belangrijke mate naar de verzekeringnemer, die moet aantonen waarom een nieuwe — maar inhoudelijk gelijkaardige — polis toch gerechtvaardigd is. De memorie gaat zelfs ver: een beperkte verhoging van de verzekerde kapitalen zou volgens de wetgever niet volstaan om het tegenbewijs te leveren dat artikel 202 toelaat.

Maar hoe realistisch is dat misbruik?

De vraag is of de overheid hier niet té achterdochtig is. Het potentieel misbruik is immers beperkt. Zelfs bij een premie van 1.500 euro gaat het over een meerkost van amper 5,25 euro. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat een verzekeringnemer voor zo’n bedrag een carrousel van opzeggingen en hernieuwingen zou opzetten, met alle administratieve rompslomp en risico’s van dien. Om nog niet te spreken van de dagen die hem/haar nog resten om het nodige te ondernemen.

En wat met het herstel van de relatie tussen burger en fiscus?

Ook daar wringt het schoentje. Deze regering heeft meermaals benadrukt dat ze de relatie tussen belastingplichtige en administratie wil herstellen en moderniseren. Denk aan maatregelen zoals:

  • de uitrol van vooraf ingevulde aangiften en proactieve communicatie, om fouten te vermijden en vertrouwen te vergroten;
  • de vereenvoudiging van bepaalde aangifteverplichtingen, onder meer in de personenbelasting en voor kleine vennootschappen;
  • de hervorming van de fiscale geschillenprocedure, met meer transparantie en snellere doorlooptijden;
  • de inspanningen rond klantvriendelijkheid bij FOD Financiën

Tegen die achtergrond voelt een strenge antimisbruikbepaling voor een meerkost van enkele euro’s wat disproportioneel aan. Het risico bestaat dat de overheid hiermee opnieuw het beeld bevestigt van een administratie die vertrekt vanuit wantrouwen, terwijl net het omgekeerde de ambitie was.

Opzegrecht?

Belangrijk voor de praktijk: de verhoging van de taks geeft op zichzelf geen bijzonder opzegrecht. De klassieke opzeggingsvoorwaarden in de polis en de wettelijke regels blijven gelden. De hogere taks is op zich geen reden tot opzeg. En zelfs bij een opzeg is er geen echte “ontsnapping” aan de verhoogde taks als de nieuwe dekking onder hetzelfde regime valt.

Wat nu?

De komende weken zullen waarschijnlijk meer duidelijkheid brengen, vooral rond de parlementaire behandeling en de effectieve inwerkingtredingsdatum. Tot die tijd blijft het voor de markt balanceren tussen juridische voorzichtigheid en operationele noodzaak.

Een positieve noot: lagere premietaks voor spaarverzekeringen?

De nieuwsbrief eindigt liever niet met alleen hogere lasten. In de pers gaf David Clarinval (minister van Economie, MR) onlangs aan dat levensverzekeringen volgens hem een groot potentieel hebben om wettelijke pensioenen aan te vullen. In die redenering zijn levensverzekeringen aantrekkelijker dan weinig renderende spaarboekjes, en verdienen ze versterking.

Clarinval wil daarom een lagere premietaks op levensverzekeringen, al ligt die bevoegdheid bij zijn collega-minister van Financiën Jan Jambon (N-VA). De boodschap is dus: pleiten voor een verlaging om verzekeringen aantrekkelijker en toegankelijker te maken, maar met een politiek-juridisch traject dat helaas niet in één hand ligt.

Assuralia pleitte eerder deze maand in een nota aan beide kabinetten al voor een verlaging. De redenering is economisch: een lager tarief kan, via hogere omzet, zelfs tot extra inkomsten voor de staatskas leiden. (Bron: De Tijd)

De federatie verwijst daarbij naar het verleden. Bij de invoering in 2006 werd het tarief volgens de nota vastgelegd op 1,1%. In 2013 werd het verhoogd tot 2%. Op beide momenten, zo stelt Assuralia, was de impact op de omzet van spaar- en beleggingsverzekeringen in tak 21 en tak 23 “desastreus”. In 2006 zou de omzet met 30% zijn teruggevallen en in 2013 nog eens met 46%.

Hein Lannoy, CEO van Assuralia, koppelt daar een structurele conclusie aan: de sector zou nog steeds niet hersteld zijn van die overheidsingrepen. Als referentie wordt genoemd dat de omzet in 2024 5,9 miljard euro bedroeg, minder dan een derde van het niveau in 2005.

De federatie maakt het concreet met break-evenberekeningen. Bij een verlaging van de premietaks naar 1,5% zou volgens Assuralia een incassostijging van 24% volstaan om budgettair break-even te zijn (rekening houdend met andere taksen). In dat scenario wordt tegelijk een reële incassostijging van 46% verwacht. Bij een daling naar 1,1% zou volgens dezelfde logica een omzetstijging van 54% break-even zijn, terwijl 84% verwacht wordt.

Het zijn stevige claims, en in elk geval een uitnodiging aan de politiek om de discussie niet alleen over tarieven, maar ook over gedrag te voeren.

Advisors Up-to-date als partner in bijscholing

Wie bij het lezen van dit nieuwsbericht denkt: “Dit valt nauwelijks nog bij te houden”, zit niet alleen. In de pers wordt veel aangekondigd, maar de vraag blijft telkens dezelfde: wat geldt nu, en wat is nog ontwerp, intentie of onderhandeling?

Goed geïnformeerd blijven is meer dan een wettelijke vereiste van het beroep; het is intussen pure noodzaak. Sinds de regeringsvorming volgt dit beleid een verschroeiend tempo van hervormingen. Wat vandaag bekend is, kan morgen bijgestuurd zijn. Blijvend op de hoogte blijven, is de boodschap.

Bronnen & Bijlagen

  • Bron: Up-to-date